“CD van jou, CD van jou, CD alléén van jou”

Isabelle van Schip Door Isabelle van Schip op dinsdag 17 oktober 2017

Slechts met een kleine meerderheid is eind april 2017 het wetsvoorstel beperking wettelijke gemeenschap van goederen door de Eerste Kamer aangenomen. Vanaf 1 januari 2018 zal Nederland afscheid nemen van het huidige wettelijke stelsel, de gemeenschap van goederen. Dit betekent niet dat (aanstaande) echtgenoten hier niet meer voor kunnen kiezen. Zij kunnen bij de notaris desgewenst huwelijkse voorwaarden opmaken en de keuze maken voor een algehele gemeenschap van goederen.

Thans is het wettelijk stelsel de gemeenschap van goederen. Alleen Nederland en Zuid-Afrika hanteren dit stelsel als wettelijk stelsel. Kort gezegd houdt de gemeenschap van goederen in dat zodra men in het huwelijk treedt, alle voorhuwelijkse bezittingen en schulden samenvallen in één grote gemeenschap toebehorend aan beide partijen. De “cd” van jou, wordt ook de “cd” van je echtgeno(o)t(e) en dus is de “cd” van jullie allebei. Daarnaast is het zo dat als een echtgeno(o)t(e) een erfenis of een schenking (zonder uitsluitingsclausule) tijdens het huwelijk ontvangt, dit ook in de gemeenschap valt en dus verdeeld dient te worden.

Indien men na 1 januari 2018 huwt, geldt als wettelijk stelsel de beperkte gemeenschap van goederen. Dit betekent dat het voorhuwelijkse vermogen, maar ook de erfenissen en schenkingen die tijdens het huwelijk worden verkregen, tot het privévermogen van de echtgenoten blijven behoren. Tot de ‘beperkte’ gemeenschap behoren de schulden en goederen die de echtgenoten voor het huwelijk reeds gezamenlijk hadden en de goederen en schulden die staande het huwelijk zijn verkregen. De “cd” van jou van voor het huwelijk, blijft van jou en dus is de “cd” alleen van jou.

De gedachte achter de wijziging van het basisstelsel van het huwelijksvermogensrecht is dat alleen hetgeen door de inspanningen van beide echtgenoten tijdens het huwelijk verkregen wordt, aan hen beiden toekomt. Daarnaast sluit dit basisstelsel ook aan bij de landen van de rest van de wereld.

Door het sluiten van een huwelijk na 1 januari 2018 ontstaan er dus standaard drie afzonderlijke vermogens: twee privévermogens en één gemeenschappelijk vermogen. Binnen de advocatuur vreest men dat de gevolgen van de herziening van het wettelijk stelsel worden onderschat. De Vereniging voor Familierecht Advocaten en Scheidingsmediators (vFAS) heeft bijvoorbeeld aangegeven dat echtgenoten in de praktijk vaak geen deugdelijke administratie over de drie gescheiden vermogens zullen voeren. Consequentie hiervan is dat er nauwelijks nog een onderscheid kan worden gemaakt tussen die vermogens en dat dit problemen zal opleveren bij de afwikkelingen van de echtscheiding. [1]

Om dit te voorkomen is het dus belangrijk dat echtgenoten bescheiden bewaren zodat, mocht het tot een echtscheiding komen, ieder voor zich kan bewijzen welke goederen aan hen toebehoren en welke schulden voor zijn of haar rekening komen. Mocht het niet meer te achterhalen zijn, dan brengt de nieuwe wetgeving met zich mee dat als niet aannemelijk kan worden gemaakt dat een goed tot het privévermogen behoort, het geacht wordt deel uit te maken van de gemeenschap en dus bij de verdeling moet worden betrokken. Voor de juristen onder ons: de wettelijke regeling omtrent zaaksvervanging en de regels van vergoedingsrechten gaan dus zeker in de toekomst een grotere rol spelen.

Mijn opinie is dat met de herziening van het wettelijke stelsel het Nederlandse huwelijksvermogensvermogensrecht daadwerkelijk wordt gemoderniseerd. Met name het feit dat schenkingen en erfenissen niet meer in de gemeenschap vallen, sluit aan bij de wensen van de praktijk. De vrees dat bij de afwikkeling van een echtscheiding er meer onduidelijkheid zal heersen over hetgeen privévermogen of gemeenschappelijk vermogen is, moet mijns inziens eerst nog maar eens blijken. Ik meen dat, mochten er zich ernstige problemen voordoen, de afwikkeling van een echtscheiding met behulp van ervaren advocaten, tot een goed einde kan worden gebracht.

[1] Kamerstukken 2013/14, 33 987, nr.3, p. 14.

Door Isabelle van Schip op dinsdag 17 oktober 2017